Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6552

Datum uitspraak2004-11-18
Datum gepubliceerd2004-11-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5620 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat betrokkene is getroffen door gebeurtenissen in de zin van artikel 2 van de WUBO.


Uitspraak

03/5620 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerster heeft onder dagtekening 14 oktober 2003, kenmerk JZ/A60/2003, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift met bijlage heeft hij uiteengezet waarom hij zich met dat besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 oktober 2004. Eiser is daar niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiser, die is geboren op 29 oktober 1930 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in juni 2002 verzocht om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. De aanvraag is gebaseerd op gezondheidsklachten die naar de mening van eiser het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indiƫ, te weten: tijdens de Japanse bezetting: 1. het verrichten van werkzaamheden voor de Japanners, 2. het ondergaan van mishandelingen tijdens het werk voor de Japanners, 3. het getuige zijn van het wegvoeren van eisers vader en broer, tijdens de Bersiap-periode: 4. de evacuatie naar de Kaderschool in Magelang, 5. het getuige zijn van het neerschieten van een Gurkha, 6. het zien van het lijk van eisers buurjongen nadat deze was vermoord. Verweerster heeft deze aanvraag bij besluit van 24 februari 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat eiser is getroffen door gebeurtenissen in de zin van artikel 2 van de Wet. Ten aanzien van de onder 1 genoemde gebeurtenis heeft verweerster overwogen dat niet is gebleken dat de werkzaamheden gepaard zijn gegaan met gedwongen verblijf buitenshuis, bewaking of mishandeling. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat eiser destijds nog niet de leeftijd had bereikt waarop van gedwongen tewerkstelling sprake kon zijn; hij was daarvoor nog te jong. Voorzover de werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als zogeheten wijkdienst geldt dit niet als maatregel van de vijandelijke bezettende macht als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Ten aanzien van de gebeurtenis onder 2 is verweerster van oordeel dat hierover buiten de eigen verklaring van eiser onvoldoende bevestiging is verkregen. Ten aanzien van de onder 3 en 5 genoemde gebeurtenissen is verweerster van oordeel dat hiervan onvoldoende bevestiging is verkregen om te kunnen vaststellen dat hier sprake was van confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Ten aanzien van de onder 4 genoemde gebeurtenis is verweerster van oordeel dat er onvoldoende gegevens zijn verkregen om aan te nemen dat de evacuatie naar de Kaderschool vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden en ten aanzien van de onder 6 genoemde gebeurtenis tenslotte is overwogen dat geen sprake was van een confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling als bedoeld in artikel 2 van de Wet. In beroep heeft eiser een aantal nieuwe feiten naar voren gebracht, kort samengevat hieruit bestaande dat hij in 1945 persoonlijk getuige is geweest van diverse moorden op met hem bevriende dan wel bekende Indisch-Nederlandse mensen, door eiser met name genoemd. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij - eveneens in 1945 - getuige is geweest van het doodschieten van een Gurkha toen hij in het beschermingskamp Banjoebiroe was. Een en ander zou door zijn broer Leo kunnen worden bevestigd, die overigens ook de andere gebeurtenissen kan bevestigen. Tevens is gewezen op het dossier van zijn neef, waaruit bevestiging van de gestelde gebeurtenissen zou kunnen worden verkregen. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt daartoe het volgende. De Raad stelt allereerst vast dat blijkens de stukken eisers relaas zoals weergegeven in het sociaal rapport is opgetekend uit de mond van zijn broer Leo, aangezien eiser zelf niet in staat is zijn eigen oorlogsrelaas te vertellen. Namens eiser is aangegeven dat daarmee tevens sprake is van een algemene bevestiging door Leo van de gestelde gebeurtenissen. De Raad deelt echter het oordeel van verweerster dat de omstandigheid dat Leo zijn broers ervaringen heeft verwoord niet kan worden gezien als een objectieve bevestiging van die ervaringen. Daarbij is van belang dat omtrent Leo, die geen aanvraag op grond van de Wet heeft ingediend, geen gegevens bij verweerster bekend zijn. Voorts is de Raad gebleken dat verweerster in verband met eisers aanvraag historische bronnen en de dossiers van eisers oudere broer (Joop) en zijn neef heeft geraadpleegd. Ook daaruit kon geen voldoende bevestiging worden verkregen voor de onder 2 tot en met 5 genoemde gebeurtenissen. Betreffende de onder 1 en 6 vermelde gebeurtenissen onderschrijft de Raad het door verweerster ingenomen standpunt. Met betrekking tot de door eiser eerst in beroep naar voren gebrachte feiten en omstandigheden merkt de Raad op dat door verweerster overgelegde historische gegevens erop duiden dat eiser zich ten tijde van belang bevond onder de achterblijvers in Magelang en niet in het door hem genoemde beschermingskamp, zodat op grond daarvan onvoldoende aannemelijk wordt geacht dat hij getuige is geweest van het doodschieten van een Gurkha bij aanvallen op dat kamp. Aangaande de door eiser in beroep naar voren gebrachte moorden in zijn buurt moet de Raad constateren dat de historische gegevens over de door eiser genoemde personen niet sporen met eisers verklaring. De Raad komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat de in geding zijnde oorlogsgebeurtenissen in dit geval uitsluitend worden genoemd in de eigen verklaring van eiser, zoals verwoord door zijn broer, hetgeen blijkens vaste rechtspraak onvoldoende is om die oorlogsgebeurtenissen onder de Wet te brengen. Gelet hierop kan het bestreden besluit stand houden. Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond wordt verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.F.C. Talman en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) A.D. van Dissel-Singhal. HD 15.11